Docentenportret Peter Hartwig

Peter Hartwig (Hoogezand, 1963) vindt zichzelf een vraaggerichte docent. Hij werkt weliswaar aan de hand van een lesprogramma, maar stelt de studenten voortdurend vragen. ‘Dat past bij de Masteropleiding. Dan moet de student een persoonlijke visie ontwikkelen.’

Wat hij in zijn lessen doet, houdt rechtstreeks verband met zijn eigen werk. ‘Ik heb geen geheimen voor mijn studenten, ik deel mijn werkwijze met ze. Ook methodes die ik uitprobeer. Ik bied ze een manier van werken aan die ik zelf hanteer. Studenten van de Klassieke Academie leren in de vakscholing om systematisch een schilderij op te bouwen: componeren, uittekenen, vervolgens toon zoeken. Ik laat ze in de master scholing componeren met licht, de geschilderde personages moeten tevoorschijn komen uit het licht. Te beginnen met de verdeling van lichtvlekken en kleuren. De mensen in het schilderij lijken figuranten. Ze nemen een tijdelijke vorm aan, die vijf minuten later weer anders kan zijn. De kijker krijgt een taak in het schilderij, hij moet het afmaken. Het komt niet vanzelf. De studenten moeten veel uren maken, veel schilderen, tekenen, tekenen en nog eens tekenen.’

Peter heeft in feite Matthijs Röling opgevolgd als docent aan de Masteropleiding. ‘Tom heeft mij gebeld toen Matthijs besloot om te stoppen. Ik had op Minerva les van Matthijs. Van hem leerde ik dat je niet te veel nadruk op details hoefde te leggen en de kijker een rol kon geven.’

‘Ondanks een rationele, analytische houding werkt Peter toch intuïtief. ‘Al kloppen de academische normen, dan nog kan een schilderij mislukt zijn. Het gaat mij om de open sfeer. Zonder dat het per se vaag moet zijn. Tijdens de les wil ik to the point zijn, ik praat over oorzaak en gevolg. Ik kan het werk analyseren, maar dat is geen garantie voor een goed kunstwerk. Garantie is er niet. Er zijn zoveel omstandigheden. Bij veel schilderijen zie ik meteen of het goed gaat, maar zelfs bij voltreffers twijfel ik. Het rijpingsproces is lang. Mijn werken mogen er spontaan uitzien, ze hebben misschien al een half jaar op mijn atelier gestaan.’

Peter werkt niet volgens een vast recept. ‘De wereld tussen realiteit en illusie fascineert mij. Het moment, voordat de werkelijkheid banaal wordt. Soms is het kicken om een keihard realistisch ding te maken, maar dat geeft mij geen gelukzalig gevoel. De openheid tot interpretatie moet blijven. Van dichtbij zie je de verf, naarmate je afstand neemt gaat het realistischer lijken, dat vult de kijker in. Als ik die houding aanneem maak ik meer kans op een goed schilderij.’